Om deze website goed te laten functioneren maken wij gebruik van cookies. Bekijk ons cookiebeleid. Akkoord

Over keizer Joseph II en de jonge Ludwig van Beethoven

door: Laszlo Faltay

Joseph II is geboren op 13 maart 1741 als oudste zoon van keizerin Maria Theresia [uit het Huis Habsburg] en haar man Franz van Lotharingen en hij is al jong een opvallend kind. Hij is koppig en trots en wil van leren niets weten en met die eigenzinnigheid krijgen de ouders en opvoeders nog heel wat te stellen. Al op zesjarige leeftijd blijkt dat hij zich liever met vasten en opsluiting laat straffen dan dat hij vraagt om vergeving.
Nadat hij van z’n ziekte op 17-jarige leeftijd, de pokken, is genezen wordt hij echter een ander mens en wordt zeer ijverig, krijgt een ongelooflijke wil om alles te weten en hij bestudeert vol ijver geschiedenis en staatkunde die hem later nog van pas zullen komen. Z’n moeder, de keizerin, laat hem ook goede muziekles nemen en hij wordt zelfs een bekwaam pianist en cellist. Hij heeft een welluidende basstem en componeert ook zelf! Zichzelf leert hij ook Latijn, wiskunde, veldmeetkunde en vooral de krijgswetenschap.
Alles wat heeft te maken met het militaire bedrijf heeft de bijzondere voorliefde van Joseph. Als hij 23 jaar is wordt hij al plechtig tot Duits koning gekroond, een voorproefje van de latere keizerlijke waardigheid, maar nu en dan moet Joseph [volgens Goethe] om al die praal en pracht en de eeuwenoude speciale kleding glimlachen. Het jaar daarop sterft z’n vader en wordt Joseph II zelf keizer van het Duitse rijk.

Hij blijkt iemand te zijn met een sterk zelfbewustzijn en een geldingsdrang, zoals men die tegenkomt bij fanatici, overtuigde rationalisten en revolutionairen. Ook wordt hij mederegent voor z’n moeder in de Oostenrijkse Erflanden, incl. Bohemen en Hongarije maar z’n invloed blijft daar beperkt.
Toch laat Joseph II wel merken dat hij sommige zaken, die ‘er nu eenmaal zijn’, zoals oude gebruiken en rechten, overbodig en verspilling vindt en wil afschaffen. Maria Theresia ziet daarin echter vooral een reden om haar zoon af te remmen en te vermanen en ze schrijft haar zoon zelfs een lange brief vól met klachten over zijn gedrag: je wordt zo nooit een dienaar van de mensen, je beledigt mensen en daarbij heb je dan ook nog nagedacht, je trapt mensen met jouw ironie en verwijten op het hart terwijl je ze wèl voor je wilt behouden, je zult nooit vrienden krijgen want je doet honend en hatelijk.
Zo hoor je niet met mensen om te gaan, want we hebben allemaal onze kleine gebreken. Eigenlijk ben je met je ironie vooral jezelf tot plezier. Hou eindelijk eens op met je geestigheden die alleen maar dienen om anderen te krenken en belachelijk te maken en alle fatsoenlijke mensen afstoten. En zo gaat dat nog wel even door! Toch worden alle problemen tussen moeder en zoon uiteindelijk wel weer opgelost, bijgelegd, maar de verschillen blijven groot.
Joseph is een kind van z’n tijd en een idealist die de Verlichting is toegedaan. Alles wat zweemt naar mystiek is voor hem een gruwel en als ijskoude rationalist, die alles met z’n Verstand [de ratio] wil verklaren, denkt hij: de mensen worden steeds gelukkiger en ‘natuurlijker’, als het zuivere verstand eens aan de macht komt, terwijl Maria Theresia over die ‘zogenaamde filosofie’ alleen maar klaagt!

Joseph wil het natuurlijke, het menselijke en het eenvoudige bevorderen en krijgt daarvoor van veel mensen veel waardering en sympathie. Hij wordt ‘de volkskeizer’ over wie talloze verhalen worden verteld, die allemaal gaan over de humane geest van deze man, die zo gewoon doet en helemaal niet uit de hoogte spreekt, die met gewone mensen omgaat. Hij stelt b.v. het [keizerlijke] Prater in Wenen als park open voor het gewone volk!
‘Voorkeur heeft bij mij wie goed denkt en eerlijk handelt en niet degene die vorsten als voorouders heeft’, aldus deze keizer zelfs… Hij heeft het ook altijd druk want hij wil zèlf veel regelen! Iedereen kan zelfs bij hem komen met klachten en hem persoonlijk die klachten overhandigen. Hij laat niemand wachten want, zegt hij: ‘ik weet uit eigen ervaring hoe onaangenaam wachten is’. Ook gaan er talloze verhalen over deze bijzondere keizer die verkleed en incognito graag ergens mag komen en de moeilijkheden en het verdriet van eenvoudige mensen wil leren kennen! In 1780 volgt hij z’n moeder op als heerser over de [Habsburgse] Oostenrijkse Erflanden.
Zo leert hij b.v. boeren bij hun werk kennen, gaat zelf achter de ploeg, en een arme vrouw aan het ziekbed [die denkt dat hij de dokter is!] geeft hij geld, en hij spreekt gewone mensen op straat en praat in z’n koets met een schoenmakersjongen… Zelfs is hij tegen het kansspel, het gokken, want ’een vorst die het spel verliest, verliest het geld van z’n onderdanen!’ Van alles wat onnatuurlijk lijkt en verbeelding heeft, heeft hij een afkeer, en van typische adellijke vormen [b.v. kinderen zijn geen meisjes en jongens maar dames en heren!] moet hij niets hebben! Hij spreekt zelf ’t liefst het Weense accent hoewel hij zes verschillende talen kent!
In 1777 bezoekt de keizer Frankrijk en hij ziet dan al met eigen ogen de enorme tegenstelling tussen de rijkdom en pronkzucht van het Franse hof, waar o.a. zijn eigen zuster [!], koningin Marie Antoinette in weelde baadt, en de in diepe armoede verkerende boerenbevolking, en ook het financiële bankroet dat dit alles heeft opgeleverd.
Hij wil, ook typisch voor sommige vorsten van z’n tijd, vóór alles de Eerste Dienaar van z’n volk zijn en hij wil zich opofferen voor het welzijn van z’n volkeren! In tegenstelling tot z’n moeder, die veertig jaar regeerde met vooral takt en geduld, en voorzichtig was t.o.v. eeuwenoude gewoonten en rechten, is Joseph echter ongeduldig en wil alles snel en onverbiddelijk aan de onderdanen opdringen, en z’n wil doorzetten. ‘Alles voor het volk, niets door het volk’, aldus de leuze van die tijd die ook voor hem gold! Hij is dus ergens een blinde fanatiekeling die met de beste bedoelingen óók wel een en ander kapot maakt. Bovendien lukt het hem natuurlijk niet om b.v. de adel, de landheren, de gilden, en de kerk [allemaal eeuwenoude instellingen!] uit te schakelen.
Wel krijgt hij het voor elkaar dat de paus hèm n.b. in Wenen opzoekt [1782] om de geschilpunten uit de weg te ruimen, maar de paus gaat naar Rome terug zonder ook maar iets te hebben bereikt, want Joseph II is ook halsstarrig: hij vindt dat de paus zich alleen moet bemoeien ‘met dogmatische dingen die alleen de ziel aangaan’.
De rest regelt de staat wel. Bekend is deze keizer vooral door het Tolerantiepatent uit 1781, dat aan de miljoenen niet-katholieken, protestanten [vooral in Hongarije] en orthodoxen in het Habsburgse rijk  na bijna drie eeuwen van vervolging de vrijheid geeft! Ook heft hij alle kloosters en orden [meer dan 700!] op die zich níet met onderwijs of ziekenzorg [d.w.z. praktisch werk!] bezig houden en voor hem daarmee dus “totaal overbodig” zijn… Maar ook dit kweekt wel onrust als mensen zien dat kloosters op bevel van een paar van die fanatieke lui in dienst van Zijne Majesteit b.v. paardenstallen of kazernes worden en dat waardevolle dingen gewoon worden weggegooid.
Verder laat keizer Joseph II veel meer persvrijheid toe en zorgt voor een aantal liefdadigheids-instellingen, en allerlei andere hervormingen, zoals het afschaffen van lijfstraffen en van de lijfeigenschap. Maar deze keizer wil ook veel meer eenheid van zijn grote rijk en voert b.v. de Duitse taal in als officiële taal, óók voor b.v. Hongaren, Tsjechen en Polen, Slovenen en Kroaten en het zelfbestuur van het eeuwenoude koninkrijk Hongarije heft hij vrijwel op. Voor de boeren komen er wel betere regelingen en ze krijgen meer rechten t.o. hun landheren..
Maar de al zieke keizer krijgt in 1789 ook te maken met de Franse revolutie die voor onrust zorgt in de [Habsburgse] Zuidelijke Nederlanden [België] waar men republiek uitroept en in Hongarije waar men ook veel meer vrijheid wenst. Op z’n sterfbed wordt Joseph zelfs moedeloos: ook de bevolking van Wenen protesteert tegen z’n bewind en deze ‘volkskeizer’en ’boerenbevrijder’.
Joseph II liet immers ook een aantal kerkelijke feestdagen gewoon afschaffen, verbood pelgrims-tochten [bedevaarten] en processies en gaf allerlei voorschriften b.v. voor het begraven van doden. Alles is inderdaad verstandiger, zelfs hygiënischer en goedkoper, maar in katholieke streken zoals Oostenrijk roepen ze toch bij veel mensen vooral bitterheid en onrust op!
Joseph II is tweemaal getrouwd geweest maar zowel de beide kinderen, meisjes, als de beide vrouwen stierven al op jonge leeftijd. Met een aantal [andere] geestige dames die door hem zeer werden gewaardeerd aan het hof kan hij overigens prima opschieten. De keizer sterft op 20 februari 1790 en wordt opgevolgd door z’n jongere broer Leopold II.
 
Het is overigens wel zeer frappant dat de nog jonge, 19-jarige Ludwig van Beethoven, geb. op 16 december 1770 in Bonn, op de dood van keizer Joseph II en de kroning of troonsbestijging van Leopold II twee cantates schrijft.
Maar ook in Bonn, in een uithoek van het enorme Duitse keizerrijk gelegen, is blijkbaar de roem van de ‘verlichte’, volkse en daardoor ook wel populaire keizer Joseph uit Wenen doorgedrongen.
Beethoven laat blijken zeer veel waardering voor de keizer te hebben en hem vooral te beschouwen als degene die met ‘het monster’ uit de diepte van de hel, de nacht, het fanatisme van het verleden, heeft afgerekend en daarom al bijzondere eer toekomt. Joseph II is voor Beethoven hèt voorbeeld van de Verlichte vorst, een grote held, de vader van onsterfelijke daden, die z’n volk wil opvoeden en laten ontwikkelen. Nú draait de aarde [waarachtig weer…] gelukkiger om de zon, die met haar stralen goddelijke warmte geeft! Door Joseph II stijgen mensen weer op tot aan het Licht!

Bonn gold overigens als een ‘verlicht’ stadje, dat als residentie van het belangrijke aartsbisdom Keulen goed werd bestuurd en waar een trotse intellectuele elite woonde: de in 1785 opgerichte ‘Lesegesellschaft’ van de stad Bonn was zeer actief en besloot in 1790 om een herdenking voor keizer Joseph II te laten houden en een schrijver die n.b. al een “Ode op de Bastille” [dus eigenlijk op de Franse revolutie van 1789] heeft geschreven, en lid van de Lesegesellschaft, doet het voorstel om hiervoor een Cantate, die “bij deze gelegenheid een feestelijke [!] indruk moet wekken” te laten uitvoeren. De 19-jarige Beethoven krijgt hiervoor de opdracht de muziek te maken en een zekere Anton Averdonck, twee jaar ouder, maakt de tekst.

De overleden Joseph II is o.a. voor Beethoven dus de verpersoonlijking van de Verlichting, de Tolerantie, de zorg voor het geluk van de mensen en de strijd tegen het fanatisme.
In maart t/m juni 1790 schrijft Beethoven de Trauerkantate op de dood van Joseph II en in sept./okt. volgt de Krönungskantate voor de kroning van z’n opvolger, Leopold II. Zowel Beethoven [die persoonlijk dan al heel wat moeilijkheden in de familie heeft ondervonden en o.a. z’n moeder al in 1787 moest missen en daarover altijd bleef treuren] als de schrijver van de teksten zien overigens in Leopold II al een nieuwe Joseph, maar…. deze nieuwe keizer Leopold II overlijdt al na twee jaar [1792].

Bronnen o.a. Die Habsburger Chronik van Wilhelm Knappich, X.Y.Z. der Muziek van Casper Höweler, het bij de ‘Cantate sur la Mort de Joseph II’ en ‘Cantate pour l’ avènement de Leopold II’ behorende begeleidende boekje [Frans, Engels en Duits] van Brigitte Massin en uit de Componistenreeks: ‘Beethoven’ van Artes Orga.