Om deze website goed te laten functioneren maken wij gebruik van cookies. Bekijk ons cookiebeleid. Akkoord

Een koordirigent met lef

Paul Valk smeedt tegenstellingen tot een muzikaal geheel

Tekst: Gerda van der Flier. Foto's Frits Droog

Hij ziet dirigeren als een soort dressuur. Maar zelf doorbreekt Paul Valk bij voorkeur vaste patronen. De dressuur is voor zijn koren, die hij met ongebruikelijk repertoire of onconventionele invalshoeken tot grote prestaties leidt. Of het nu in het kleine kerkje van Lambertschaag is of in het wereldvermaarde Concertgebouw, Paul Valk zorgt voor iets bijzonders. Tegenstellingen met elkaar tot een muzikaal geheel smeden, dat is zijn handelsmerk. Het gestaag groeiende publiek lijkt er blij mee.

Op zaterdag 21 april a.s. is het weer raak: dan voert Valk met het Amsterdams Gemengd Koor in het Concertgebouw de sterk ritmische Carmina Burana van Carl Orff uit, met vóór de pauze het verstilde Miserere van Henryk Mikolaj Górecki. En als intermezzo het stuk Toccata voor zes slagwerkers, van de Spaanse componist Carlos Chavez. Hoe groot de verschillen ook zijn, toch is het een goede combinatie, vindt de eigenzinnige dirigent.

Contrast

"De Carmina is op zich geen bijzondere keuze voor een oratoriumkoor. Het staat gewoon in de top 10 van het ijzeren repertoire. Maar ik wil het graag uitvoeren omdat het zo sterk ritmisch is. Dat is een goede leerschool voor het koor. Het is een stuk van een uur, dus voor een compleet programma in het Concertgebouw moest ik er nog iets bij zoeken. Meer van hetzelfde was niet interessant, dus zocht ik een contrast. Het Miserere van Górecki had ik nog in m'n kast staan, in de hoop het ooit uit te mogen voeren. Het valt niet bepaald onder het geijkte repertoire, maar ik vond het zo'n spannende combinatie dat ik het aandurfde. Met mijn kamerkoor heb ik al eens eerder werk van Górecki uitgevoerd en toen merkte ik wat voor een verpletterende indruk die muziek maakt. Een grote sereniteit gaat er vanuit. Hoe verschillend de twee werken van dit aprilconcert ook zijn, ze hebben dezelfde parallelle bewegingen; de één sterk ritmisch, de ander in een soort slow motion. Dáár zit de verbinding in."

De 38-jarige dirigent studeerde orgel en kerkmuziek aan het Conservatorium in Utrecht en deed er de dirigentenopleiding. Hij is als kerkmuzikant verbonden aan de Amsterdamse Dominicuskerk. In Alkmaar leidt hij het kamerkoor Sine Nomine. En sinds 1999 is hij de vaste dirigent van het 150 leden tellende Amsterdams Gemengd Koor. "Als ik van de ene naar de andere club ga, zet ik steeds een andere pet op," verklaart Valk.

Maar onder die pet zit immer dezelfde onderzoekende geest, de behoefte om voortdurend iets nieuws uit te proberen. Zo zet hij voor de 'Dominicus' teksten op muziek, in de traditie van Huub Oosterhuis. Valk: "Het is een grote, zingende gemeente. We zijn afgestapt van de traditionele gemeentezang en genieten van alle nieuwe liederen uit het voortdurend groeiende repertoire." Het kamerkoor in Alkmaar verraste het publiek onlangs met de opera Dido en Aeneas, van Henry Purcell. In de volledig theatrale uitvoering, compleet met kostuums. "Ja, we wilden wel eens wat anders," verklaart de dirigent laconiek "Met twintig man kun je zoiets uitproberen. Voor het publiek was het behalve oorstrelend ook nog eens een lust voor het oog. Het is als een bom ingeslagen!"

Experiment

Paul Valk. Foto: Frits DroogVoor het Amsterdams Gemengd Koor heeft hij heel andere experimenten uitgevoerd. "Een scenische opera is niet zo logisch voor dit oratoriumkoor, ik zie niet zo snel 150 man over een podium sjokken. Dan moet je dus andere dingen zoeken." Het begon met een jubileumconcert in 2003 bij het 75-jarig bestaan van het koor. Daar stond naast een werk van Poulenc ook de Nicolas Cantate van Benjamin Britten op het programma. Een stuk balkon van het Concertgebouw werd ingeruimd voor een vrouwenkoor, zodat de zang uit meerdere richtingen kwam.

Gevoelsmens

Daarna kreeg Valk de smaak te pakken en studeerde hij werk van Dvorák in. Het Concertgebouw bleef volstromen, dus grijpt hij nu zijn kans om Orff en Górecki met elkaar te combineren. Wat hem betreft is de uitvoering op 21 april geslaagd als hij voldoet aan de volgende kwalificaties: op toon, met een goede opbouw, spannend en met een verhaal. Valk: "Voor de dirigent en het koor gaat het om timing, inleving, beleving, precisie… Ik ben een gevoelsmens, ik hou ervan om dingen non-verbaal over te brengen met timing, door stukjes net even sneller te doen of even te wachten. Het mooiste van de muziek staat niet in de noten, daarom moet je een stuk uitvoeren zoals je hart je ingeeft. Bij een slotakkoord staat bijvoorbeeld niet hoe lang je dat precies moet maken, dat kun je als dirigent zelf bepalen. En bij forte staan geen decibellen aangegeven. "Het is de kracht om met al die mensen de nuance in een uitvoering te krijgen.

Voor een dirigent betekent dat manoeuvreren. Beide stukken vragen om heel duidelijke gebaren en honderd procent contact met álle uitvoerenden. Ik kom zelf altijd snel uit mijn partituur, dan kan ik in vrijheid musiceren, echt samen stromen. Een tijd terug heb ik in het Concertgebouw het Requiem van Verdi uit mijn hoofd gedirigeerd. Het zat hélemaal in me en alles kwam er uit... Zó hoort muziek te zijn."

Dieplage tonen

Het past niet bij de aard van Valk om zich over de uitvoering in april zenuwachtig te maken. Hoewel hij bekent dat er een behoorlijke moeilijkheidsgraad in zit. "Het Miserere vraagt nogal wat van de mannenstemmen. Hun partijen leunen dicht tegen elkaar aan, sommigen moeten al die tijd - een half uur en dat is láng - dieplage tonen zingen. Als dan de vrouwenstemmen erbij komen, bouwt het op tot tienstemmigheid. Helemaal in slow motion met een langzame toename van weke zang tot aan krachtig forse klankblokken, als uit graniet gehouwen."

Hij is zich ervan bewust dat je voor dit werk als dirigent wel lef moet hebben. Valk: "Eigenlijk is het een soort minimal music, heel puur qua notentaal en er worden maar vijf woorden gebruikt: Domine Deus noster, miserere nobis. Górecki schreef het stuk in 1981 als een soort statement tegen de politieke situatie in Polen. Maar hij mocht het pas in 1987 voor het eerst opvoeren. Het was in de tijd van Solidarnosc en Lech Walesa, toen de burgers en het leger tegenover elkaar kwamen te staan. In feite is het een roep om vrede, verklankt als een stille tocht, uitlopend op een bulderend geraas. Dat maakt het zo indringend, zo spannend. Het heeft iets van: wat moeten we met deze wereld? Ik ben heel benieuwd hoe dit gaat klinken in het Concertgebouw, want de geroemde akoestiek ten spijt: dit hoort eigenlijk thuis in een kerk als de Notre Dame in Parijs of Saint Paul\\\'s Cathedral in Londen. Ik zal er alles aan doen om voor even de sfeer van kerkgewelven en de geur van kaarsen in die muziektempel op te roepen."

Ritmisch

De Carmina Burana van Orff vraagt vooral ritmisch het nodige van het koor. Valk: "Voor concertniveau moet het ritme echt scherp zijn. En de tekst is heel lastig. Wij zijn als oratoriumkoor gewend aan de Duitse Bachtaal of het Latijn van de missen, maar dit is een taal die tussen het Duits en het Italiaans in zit, met een bijzondere uitspraak. Niet één woord is voor ons herkenbaar. Carmina Burana betekent Liedjes uit Beieren. Het is de poëzie van minstrelen, die op vrolijke wijze het lot van het leven beschrijft, met liefdes, de natuur en drinkgelagen. Orff heeft daar een selectie van gemaakt en die op muziek gezet. "Hij schreef de Carmina Burana in 1937 voor een groot orkest. Op verzoek van muziekuitgevers maakte hij in de jaren 50 een kleinere versie, voor twee vleugels met slagwerk. Die gebruiken wij nu. Dit wordt meer een koorconcert dan ooit.

Mijn kamerkoor uit Alkmaar doet ook mee. Bij de Carmina zingt het een eigen deel, bij het Miserere zitten de leden tussen het grote koor in. Zo hebben we dus twee koren, twee werken, twee sferen en twee werelden: de één heel sacraal als een statement tegen oorlog en geweld en de ander joviaal als een oproep om te genieten van het leven."

Linke soepstuk

Plannen voor de verdere toekomst zijn er genoeg. Valk denkt aan de Psalmensymphonie van Strawinsky of de Hohe Messe van Bach. Het laatste noemt hij een linke soepstuk, maar dat zal hem niet weerhouden. Of misschien tóch eens een opera, een musical, een wereldpremière... En, ambitieus met een knipoog: "Ik ben ook wel in voor iets koninklijks of anders het Eurovisie Nieuwjaarsconcert." In elk geval blijft hij ook het traditionele oratoriumrepertoire trouw, want dat is bij het publiek zeer geliefd. En daar vindt hij niets mis mee. "Al dat nieuwe moet je apart instuderen, maar het bekende werk zit er al vast een beetje in. Het zijn ook prachtige stukken, zo\\\'n Requiem van Verdi of de Johannes en Matthäus Passion van Bach. De Matthäus verveelt nooit, het is elke keer weer alsof ik het voor 't eerst dirigeer. Zo'n stuk kun je als uitvoerenden en als publiek steeds weer opnieuw ontdekken."

Daarnaast wil hij vasthouden aan de traditie om in het Concertgebouw op treden. "Een wereldpodium, het is waanzinnig dat dit steeds weer kan. Het is een eer om daar te staan. De kosten zijn hoog voor ons als vereniging, we moeten dit zelf opbrengen. Maar tot nu toe hebben we nog steeds volle zalen gehad. Dat maakt een bevoorrecht en tevreden mens van mij."